Caprice
Caprice stuurloos in het Kanaal
Op 24 juni 2007 vertrekken zoon Koos en ik om 6.15 uur uit Weymouth voor de oversteek naar La Coruna. Caprice een Comet 333 zal de oversteek naar Ile ‘d Oesant net kunnen bezeilen als de wind zoals verwacht iets naar NW zal ruimen. In het Kanaal staat ons een paar uur 20 tot 25 knopen WNW-wind te wachten. Die zal daarna afnemen en verder ruimen. Voor donker hebben we de shippinglane achter ons. De nacht is onrustig met veel windschiftingen en flinke buien met veel regen en veel en geen wind.
Om ca 15 uur zijn we 15 mijl ten Noorden van l’Aber Wrac’h (NW-punt van Bretagne) en nog ruim 40 mijl van ons waypoint als de wind zoals verwacht aantrekt tot 20 knopen en meer. Bij het zetten van het derde rif blijkt de tweede zeillat van het doorgelatte grootzeil een meter voor de mast uit te steken. De band die de lat fixeert is bijna doorgescheurd. Zonder lat staat het zeil raar te klapperen. Als we ook nog een scheurtje in de flink ingerolde genua zien besluit ik om de dichtstbijzijnde haven aan te lopen. De boel heel houden heeft voorrang.
Met de motor aan en de stuurautomaat bij zoek ik beneden de detailkaart voor de aanloop en de nieuwe koers als Koos roept dat we rondjes draaien. Al snel blijkt dat het niet de automaat is die ons in de steek laat maar het roer dat niet reageert op de helmstok. De wind is ruim 20 knopen met uitschieters van bijna 30. De motor doet het en l’Aber Wrac’h is bezeild en ruim 2 uur varen. Maar hoe kom je daar zonder roer? Voor een noodroer met de spinakerboom en een vloerdeel uit de kajuit is de zee te ruw en de aanloop van de haven te onbekend. Ik besluit de kustwacht op te roepen en om assistentie te vragen. De kustwacht antwoord prompt en in goed Engels. Men zegt de reddingsboot van l’Aber Wrac’h te sturen om ons binnen te slepen.
Gierend achter de reddingsboot
Na ca drie kwartier meldt men dat de reddingsboot onderweg is. Op kanaal 67 kunnen we met onze redders communiceren. Ook die schipper spreekt goed Engels. Om het kwartier melden we onze positie en na ruim een uur zijn ze bij ons. De bemanning bestaat zo te zien merendeels uit 60-plussers. Ik voel me in goed gezelschap. Het overbrengen van de sleeptros gaat niet al te vlot. Na drie pogingen heb ik eindelijk de dunne werplijn te pakken. De reddingsboot vaart echter door en nog voor ik hem heb kunnen beleggen wordt deze uit mijn handen gerukt. De vijfde keer lukt het en beleg ik een 3 cm dikke tros op klampen die daar eigenlijk te klein voor zijn. De reddingsboot vaart met 7 knopen halve wind naar het Zuiden. Caprice trekt zich achter een tros van ruim honderd meter van die koers weinig aan. Met enorme zwiepers gieren we met soms 12 knopen heen en weer achter onze redders. De puts aan een lijn achter helpt niet om onze koers te stabiliseren. Wanneer de sleper ons na een benedenwindse zwaai weer recht trekt worden we soms dwars door een golf getrokken. Er komt blauw water over de kajuit onder de buiskap door. Ook het schuifluik moet dicht.
Na een kwartiertje aangelijnd in de kuip begint ook deze situatie te wennen. Caprice kan het hebben en de wetenschap dat we op weg zijn naar een veilige haven brengt de stemming weer een beetje terug.
Wanneer we na bijna twee en een half uur l’Aber Wrac’h bereiken zie ik dat er in de aanloop waarschijnlijk geen ruimte is voor ons gegier. Ik vraag de schipper van de reddingsboot om de sleeplijn in te korten. Hij zegt dat hij weet wat hij doet en mindert vaart. Ik besluit de motor in de achteruit te zetten om onze snelheid te verminderen. Dat helpt. Het gegier neemt af. Binnen in de Aber besluiten onze redders om ons langszij van de reddingsboot te halen. Deze posteert zich benedenwinds en trekt ons zo naar zich toe. Met de nog doorstaande wind denderen we op ze af. Voor de marifoon moet ik naar beneden. Ik roep dat ze in de wind moeten draaien en ons dan langzij moeten halen. Men reageert niet. De tros wordt ingehaald en mijn gebrul aan dek wordt niet begrepen. Met de motor volle kracht achteruit slaan we toch nog met een klap tegen de reddingsboot. De preekstoel krijgt een rare knik en ons anker breekt uit de borging en gaat overboord. Inmiddels liggen we benedenwinds en kunnen we het anker binnenhalen. Met een korte sleeptros vaart de reddingsboot langzaam naar haar mooring en trekt ons in de wind liggend langszij. Daar zullen we die nacht blijven liggen.
De volgende ochtend komt een sloep van de haven die ons naar een de splinternieuwe drijvende steiger brengt. Er is een werfje in de Aber die ons roer kan repareren. Drie dagen later zal er voldoende water staan om bij het ponton te komen waar ze Caprice bij eb vanaf zullen rijden.
De schade en de oorzaak
Eenmaal droog gevallen blijkt het roerblad van de roerkoning af te zakken en op de grond te staan. Bij het transport met de hydraulische hefkar tillen we met een band het roer op.
Op de kant wordt het roer open gefreesd. De lassen waarmee rvs-vingerlingen aan de roerkoning zijn bevestigd zijn allemaal afgebroken. De roerkoning kan vrij in het blad draaien. De eerste diagnose lijkt te duiden op een te zwakke constructie. De lassen hebben waarschijnlijk over een te korte lengte vast gezeten. Bij een nadere inspectie van de romp en de kiel blijken er striemen dwars over de romp te lopen waar de antifouling is verdwenen. Caprice moet een kabel of net geraakt hebben. De striemen zitten ook op de kiel en op het roerblad. Wanneer de roerkoning wordt gedemonteerd blijkt er een barst te zitten aan de achterkant in de hennegatskoker. Deze loopt door tot in het vlak. Het is een dunne barst en omdat het hennegat boven de waterlijn zit is er geen water binnengekomen.
Van de aanvaring met kabel of net hebben we niets gemerkt. In de nacht hebben we wel op ruime afstand – ik schatte meer dan een mijl - vissers bezig gezien.
Ik maak foto’s van de schade die ik met e-mail naar de expert van de verzekering stuur.
Na de demontage van het roer blijkt de tweemans werf geen tijd meer voor me te hebben. Ik kan niet aan boord blijven en huur een chambre d’hôte aan de haven. Elke dag fiets ik meerdere keren naar de werf om te vragen wanneer ze eindelijk aan de reparatie denken te beginnen. De werfbaas Bruno mompelt misschien eind juli. Of het aan mijn dagelijkse gezeur ligt weet ik niet maar omstreeks 15 juli gaat men aan de slag. De preekstoel en het ankerbeslag worden gedemonteerd en naar een naburig gespecialiseerd bedrijfje gebracht . Twee dagen later zijn die zaken keurig hersteld voor € 200. Het werk aan het roer vordert maar langzaam. Achter de roerkoning wordt in de lengte een even dikke buis gelast over 60 cm. Daarna worden daar de rvs-vingerlingen weer aangelast. De lassen dragen nu over 8 cm. Dat is een stuk sterker. Het polyesterwerk aan het roer duurt nog even. Om het roer weer te monteren moet er onder de spiegel een gat worden gegraven. De werf heeft geen kraan om Caprice op te tillen. Na een uurtje hakken met de hand kan ik het niet langer aanzien. Op deze manier duurt alleen het gat maken twee dagen schat ik. Na enig soebatten overtuig ik Bruno dat hij een graafmachine moet laten komen. Die komt nog dezelfde middag en is in een kwartiertje klaar.
Daarna gaat het vlot. De eerste helft van het roerblad worden aan het ijzerwerk gelamineerd. Daarna wordt de andere helft er aan gelijmd. Het geheel wordt nog met drie lagen glasmat omwikkeld en daarna glad geschuurd. Het roer wordt gevuld met polyester vermengd met glasvezels. De hennegatskoker wordt ook versterkt met een aantal lagen glasmat met polyester.
Zaterdag 21 juli wordt Caprice met een verse laag antifouling naar het ponton gereden. Vijf uur later drijft ze en brengt de sloep van de haven me aan boord. De motor start direct en met een sterker roer dan ooit vaar ik naar de steiger.
Inmiddels is bekend dat de verzekering alle kosten ruim € 7.000 dekt, incl. de huur van de chambre d’hôte. Voor de reddingsactie rekende men een vergoeding van € 340 per uur.
Omdat Koos niet langer beschikbaar is zoek ik via om-te-zeilen een opstapper. Met Michiel spreek ik af in Brest van waaruit we 3 augustus vertrekken. Na een nachtje in Camaret gaat het voorspoedig. Dinsdagochtend 7 augustus meren we om 4 uur af in La Coruna.
De door mij getrokken lessen:
- Een van te voren beproefd noodroer is aan te raden; Caprice heeft dat nog niet, ik denk nog na over de beste oplossing. Tips zijn welkom.
- Om het gieren achter de sleper te beperken zal een stopzak of stormanker goede diensten kunnen bieden; de motor in zijn achteruit had waarschijnlijk ook voor een rustiger verloop van de gesleepte tocht over zee kunnen zorgen.
- Blijf vooral ‘s nachts mijlen ver uit de buurt van vissers; We weten niet wanneer en waar we net of kabel raakte maar de passage van de visser in de nacht lijkt de meest waarschijnlijke oorzaak.
Dirk Fuite
november 2007
![]() | ![]() |
| De achterkant van de hennegatskoker. De klap heeft daarin een barst veroorzaakt. Omdat het hennegat boven de waterlijn zit is er geen water in de romp gekomen. | Hier kunnen we goed de sporen zien waar de kabel de voorkant van de romp raakte. De antifouling is op die plaatsen verdwenen. |
![]() | ![]() |
| De voorkant van de kiel. Ook hier zijn de striemen van de kabel goed zichtbaar. | Goed is te zien dat de kabel het inmiddels gedemonteerde roerblad heeft geraakt. |
![]() | |
| Goed is te zien hoe er achter de roerkoning een rvsbalkje is gelast waardoor de lassen met de strips in het roerblad over een grotere lengte dragen. Het ijzerwerk werd hierna aan het blad gelamineerd. | |
- Home
- Vereniging
- Havens
- Wedstrijden
- Evenementen
- Jeugd
- Stamtafel
- Contact








