Vuilwater lozen

Vuilwater lozen


Dit onderwerp roept nog steeds veel vragen op. Ter informatie hebben wij de zaken nog eens op een rijtje gezet.
U mag niet lozen op de binnenwateren van Nederland. Bij dit binnenwater hoort ook de Waddenzee. Het antwoord kunt u ook vinden via onderstaande link
http://www.vuilwater.info/vraag_antwoord.

De uitzonderingen zijn onderstaande die niet onder de wet pleziervaartuigen vallen:

Omdat het vrij ingewikkeld is en moeilijk aan te tonen of een vaartuig er wel of niet onder valt wordt vaak aanbevolen deze regeling uit de Wet pleziervaartuigen (artikel 2; zie hieronder) aan boord te hebben.

Artikel 2

1. Deze wet is niet van toepassing op:
 

  1. kano’s, kajaks, gondels en waterfietsen;
  2. boten voor roei-instructie en wedstrijdroeiboten die als zodanig door de fabrikant zijn aangemerkt;
  3. zeilplanken;
  4. al dan niet gemotoriseerde surfplanken;
  5. met stoomkracht aangedreven vaartuigen met externe verbranding die als brandstof gebruik maken van kolen, cokes, hout, olie of gas;
  6. voor persoonlijk gebruik gebouwde vaartuigen die gedurende vijf jaar na de bouw niet in de Europese Gemeenschap in de handel worden gebracht;
  7. historische vaartuigen die voor 1950 zijn gebouwd, alsmede individuele replica’s van zulke vaartuigen, indien zij hoofdzakelijk met de oorspronkelijke materialen zijn gebouwd en als zodanig door de fabrikant zijn aangemerkt;
  8. experimentele vaartuigen die niet in de Europese Gemeenschap in de handel worden gebracht;
  9. wedstrijdvaartuigen die als zodanig door de fabrikant zijn aangemerkt;
    1. fabrikant: natuurlijke persoon of rechtspersoon die een onder deze richtlijn vallend product ontwerpt en vervaardigt
    2. of die een dergelijk product laat ontwerpen dan wel vervaardigen, met de bedoeling het onder zijn eigen naam in de handel te brengen;
  10. voor het bedrijfsmatig vervoer van personen, buiten de bemanning, gebouwde of bestemde vaartuigen;
  11. onderzeeboten;
  12. luchtkussenvoertuigen;
  13. draagvleugelboten.


2. Deze wet is eveneens niet van toepassing op de volgende voortstuwingsmotoren:
 

  1. voor persoonlijk gebruik gebouwde voortstuwingsmotoren die gedurende vijf jaar na de bouw niet in de Gemeenschap in de handel worden gebracht;
  2. voortstuwingsmotoren die op de in het eerste lid, onderdelen h tot en met m, bedoelde vaartuigen zijn gemonteerd of specifiek daarvoor zijn bestemd;
  3. originelen en replica’s van historische voortstuwingsmotoren die op een ontwerp van voor 1950 zijn gebaseerd, niet in serie zijn geproduceerd en op de in het eerste lid, onderdelen 6 of 7, bedoelde vaartuigen zijn gemonteerd.